Juul Kraijer / Chimaera

was te zien /

Iedere levende vorm herbergt een wereld in zich die ons volkomen kan verbluffen. Het is aan de ware kunstenaar om ons de ogen te openen voor het oneindige dat er achter de schijnbare eenvoud van ‘gewone dingen’ schuilt. ‘If the doors of perception were cleansed everything would appear to man as it is, infinite,’ schreef de 18e-eeuwse Engelse dichter William Blake. En de 20e-eeuwse Franse schrijfster Colette vroeg zich af: ‘Waar moet het heen als we stukje bij beetje de verschijningsvormen afpellen en op het leven achter al dat roerloze stuiten, een zenuwstelsel onder een bast, het vermogen tot lijden van iets dat wij gevoelloos achten. Hoelang kunnen we iets dat we niet kennen nog onvoorstelbaar noemen?’*

Het is via de waarneming van de kunstenaar dat ons soms een blik op het onvoorstelbare wordt gegund. Die kunstenaar voedt onze verwondering door via het kunstwerk een wereld te scheppen die de grenzen van onze waarneming tart. Zo onttrekken de voorstellingen van beeldend kunstenaar Juul Kraijer (1970) zich aan traditionele iconografieën. Aan de basis van de raadselachtige figuren in haar nieuwste fotoseries in de tentoonstelling Chimaera staat een menselijk lichaam, maar ze toont ons die vorm op een manier die zich nauwelijks laat classificeren. Kraijer creëert een visuele ervaring die meer is dan de som der delen waaruit het beeld is opgebouwd. ‘Today the percept had swallowed up the concept,’ zo beschreef Aldous Huxley onder invloed van mescaline zijn nieuwe ervaring van het wezen van een stoel in The Doors of Perception (1954). In de kunst van Juul Kraijer lijken dergelijke gewaarwordingen te worden gevisualiseerd en als een nieuwe werkelijkheid te worden gepresenteerd – namelijk als fotografisch kunstwerk. Want belangrijk voor de ervaring van het nieuwe werk in Chimaera is dat de enigmatische vormen zijn gefotografeerd, en dat de creaturen die de foto’s bevolken – al is het maar voor even – dus ook werkelijk zo hebben bestaan.

De ultieme beheersing van het lichaam door Kraijers modellen speelt in Chimaera een beslissende rol. Dit lichaam – en niet het gezicht of de persoonlijkheid – speelt dit keer voor muze van de fotografe, want het kan worden bespeeld als een instrument. Met ongelooflijke souplesse verstrengelen de lichamen van de modellen zich tot een knoop waarbinnen het centrum van het universum zou kunnen liggen, en buigen ze zich vervolgens uiteen in een choreografische reeks van even plantaardige als dierlijke vormen.

Kraijers modellen zijn de slangenmens Lise Pauton en de Franse Butoh-danseres en -choreografe Camille Mutel. Kraijers ontmoeting in 2013 met Lise, de jonge contortioniste, vormt zelfs het beginpunt van de hele serie. Lise Pauton beschikt over een lichaam met ogenschijnlijk onbegrensde mogelijkheden. Haar lichaam kan de meest onwaarschijnlijke houdingen aannemen, waardoor het voor de kunstenaar is alsof ze een sculptuur kan maken met een levend lijf. Het haar van Lise Pauton vormt een andere bron van inspiratie, het is een ‘wezen’ op zichzelf. Het lange, zwarte, kronkelende haar speelt in sommige foto’s de hoofdrol – enerzijds doordat het vormen bedekt, anderzijds doordat het weer andere creëert. Het haar wordt op de foto’s een zelfstandig ‘creatuur’.

In Butoh-danseres Camille Mutel vond Kraijer haar tweede ideale model. Butoh is een dansvorm die een afdaling in de aarde verlangt, een dans die naar beneden, naar de grond, gericht is en een afdaling in het onderbewuste teweegbrengt. Butoh is ook een dans zonder concept: ‘In Butoh, the body tells you where to go. Your body says something, it reveals something to you […] you have to let something come from inside, in a dialogue with the outside. You shouldn’t have to intervene,’ aldus Camille Mutel.

Kraijer beeldt de lichamen af zonder dat het gezicht of duidelijke geslachtskenmerken te zien zijn, niet als individuele portretten van vrouwen van vlees en bloed, maar als onstoffelijke verschijningsvormen. Soms doen de lichamen aan fossielen denken of roepen ze associaties op met dierlijke wezens of plantaardige vormen.

De foto’s van de lichamen van Pauton en Mutel worden afgewisseld met een serie foto’s die Juul Kraijer in 2014-2015 in India maakte, van gedroogde, door insecten aangevreten bladeren, afkomstig van de ‘wata’-struik die er als onkruid groeit en kan uitgroeien tot een boom. Deze grote bladeren op Kraijers foto’s hebben alle aspecten van frisse vegetatie verloren, hun ooit groene huid is perkamentachtig en opgekruld, en de (blad)nerven tekenen zich als ribben af. De bladeren zijn – net zoals de lichamen – als geïsoleerde vormen tegen een zwarte achtergrond gefotografeerd.

De gedroogde bladeren vormen een echo van het anatomische vocabulaire van de twee lichamen. Al deze vormen – lichamen en bladeren, haren en andere materie – behoren tot Juul Kraijers universum vol ondoorgrondelijke associaties waarin de oneindige mogelijkheden van het bestaan resoneren.

Juul Kraijer (Assen, 1970) studeerde van 1989 tot 1994 aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Ze had o.a. solotentoonstellingen in het Stedelijk Museum Schiedam (1998), het Stedelijk Museum Amsterdam (2001), het Gemeentemuseum Den Haag (2006), Kunsthalle Giessen (DE) (2014) en het Drents Museum (2015). Haar werk bevindt zich o.a. in de collectie van het Museum of Modern Art, New York, het Museum of Contemporary Art Kiasma, Helsinki, het MONA Tasmanië, het Museum Kunst Palast Düsseldorf, het Kupferstichkabinett, Berlijn, en het Museum Moderner Kunst, Wenen. Tevens won ze diverse prijzen, waaronder de Charlotte Köhlerprijs (1998), de Pendrecht Cultuurprijs (2000) en de Philip Morris Kunstprijs (2004). De monografie Juul Kraijer, met teksten van Véronique Baar en Wilma Sütö, verscheen in 2009. In 2014 verscheen Penumbrae, 40 photographs made between 2011-2014, en in 2015 Juul Kraijer – werken 2009-2015, met teksten van Ernst van Alphen en Roger Malbert.

Het werk van Juul Kraijer in deze tentoonstelling wordt mede mogelijk gemaakt met de steun van het Mondriaan Fonds.

fotografen

Juul Kraijer