Interview: Martin Roemers / Metropolis

De Nederlandse fotograaf Martin Roemers reisde vanaf 2007 over de wereld om megasteden met meer dan 10 miljoen inwoners te fotograferen voor zijn project Metropolis. Hierin bepalen dynamische bewegingsstromen en een statische infrastructuur de samenstelling van een foto, en vormt het beeld een kruispunt waar verschillende levens elkaar ontmoeten. Hoewel de visuele identiteit van steden als Mexico, Guangzhou, Mumbai, New York en Parijs ver uiteenloopt, wordt een universeel stadsbeeld duidelijk. Martin Roemers praat met Anna Kruyswijk, assistent-conservator van Huis Marseille, over het registreren van wereldculturen en zijn nieuwsgierigheid naar sociale verschillen.

Martin Roemers / Metropolis is te zien in Huis Marseille van 12 december 2015 t/m 6 maart 2016.

AK: Wat waren de criteria voor het fotograferen van bepaalde steden voor Metropolis?

MR: Volgens de officiële definitie van een megastad moet deze meer dan 10 miljoen inwoners tellen. Ik deed onderzoek naar de kenmerken van zo’n stad, die ik er hoopte te vinden bij mijn bezoek. Mijn conclusie was dat ik 22 steden zou fotograferen. Toen ik begon aan het project bestonden er 23 megasteden, dat zijn intussen 28 megasteden geworden. Streven naar volledigheid is niet haalbaar, want elk jaar komen er een paar bij. Alleen al in China zijn zes megasteden en daarvan heb ik de helft gefotografeerd. De 22 steden zijn representatief voor het beeld van de megastad.

AK: Het inwonertal van steden blijft groeien en er is door de Verenigde Naties een voorspelling gedaan dat omstreeks 2050 70 procent van de wereldbevolking in een stedelijke omgeving zal wonen. Waarom is het nu een goed moment om het project af te ronden?

MR: Door de steden die ik heb gezien, verwacht ik niet dat de toekomstige megasteden spectaculair anders van karakter zullen zijn. Dhaka, Mumbai en Karachi bijvoorbeeld lijken voor een buitenstaander erg op elkaar. Ik kan het project afronden omdat de serie een substantieel aantal megasteden op vijf continenten bevat, wat een beeld geeft van het fenomeen megastad.

AK: Hoe bent u te werk gegaan, vanaf het bepalen van de locatie tot en met het kiezen van tentoonstellingsfoto’s?

MR: Ik zoek eerst een lokale assistent, bij voorkeur een fotograaf, die de stad kent en begrijpt waarnaar ik op zoek ben. Daarnaast doe ik zelf veel onderzoek naar de locaties, bijvoorbeeld met Google Street View, maar het liefst rijd ik met de auto door de stad om locaties te vinden. Ik neem een week de tijd om de stad te leren kennen en ontdekkingen te doen. Bij interessante locaties ga ik op zoek naar een hoog standpunt en kies een moment waarop het licht zacht is. Ik kom dan terug om vanaf een dak, uit een raam of vanaf een ladder te fotograferen. Ik sta vaak een aantal uren te wachten, of ik ga later terug als ik dé foto nog niet heb kunnen maken. Ik fotografeer analoog, dus zie pas later op de contactsheets wat ik heb gemaakt. Daarna volgt een lang selectieproces voor de keuze van de beste foto’s.

AK: En wat zijn naar uw idee de beste foto’s?

MR: Ik observeer wie in het beeld komt en wie er weer uitgaat. Ik wacht op het moment dat ik mensen die iets speciaals hebben goed in beeld kan brengen en observeer ondertussen het verkeer. Als alles op zijn plaats valt en het beeld goed gevuld is, druk ik af. Eenmaal thuis kom ik steeds nieuwe details tegen, hoe goed ik alles ter plekke ook in de gaten heb gehouden. Ik wacht lang op de drukte die zal gaan komen, maar ook op wat er kan gebeuren. De riksja naast de taxi in Calcutta bijvoorbeeld was een element waarop ik gewacht heb en de demonstratie in Istanboel was een verrassing. Het toeval speelt een rol, maar anderzijds heb ik veel voorbereid en weet ik wat ik sowieso in de foto wil terugzien.

AK: In tegenstelling tot de eerste foto die Louis Daguerre van de levendige boulevard du Temple in Parijs maakte, zijn alle mensen nog aanwezig in uw foto’s. Bijna twee eeuwen later is er uiteraard technisch veel meer mogelijk, wat is uw techniek geweest?

MR: Ik ken die foto uit mijn opleiding en het werk heeft me altijd gefascineerd. Met Metropolis refereer ik aan de fotografie van de laat negentiende eeuw. Ik hanteer net als toen een analoge camera en fotografeer vanaf statief met een lange sluitertijd. Wanneer ik moeite heb om toegang tot gebouwen te krijgen voor het gewenste hoge standpunt, zoals in New York en Mexico City, heb ik altijd de ladder nog. Waar de techniek vooral op neerkomt, is dat de locatie, het camerastandpunt en het moment precies goed moeten zijn.

AK: We zien in elke foto een combinatie van kleine en grote verhalen, lokale aangelegenheden die samengaan met een soort mondiale hectiek. Hoe verhouden de foto’s zich volgens u in de serie tot elkaar?

MR: De foto’s bij elkaar laten de gevolgen van de wereldwijde trek naar de steden zien. De verschillen tussen de foto’s komen door het specifieke karakter van de stad; de overeenkomsten bijvoorbeeld door de informele economie waaraan de inwoners deelnemen. Nieuwkomers in de stad komen vaak aan de rand van de samenleving terecht en die ziet er in alle steden hetzelfde uit.

AK: In mijn beleving zijn uw foto’s als een vergrootglas op een mierenhoop: de dynamiek en energie van een krioelende massa worden zichtbaar. De visueel verzadigde foto’s doen verslag van religies, cultuur, economie en politiek op het ‘heetste’ moment. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de protestgroep die in Istanboel ineens als een lint door de foto heen loopt. In hoeverre vindt u dit een juiste observatie?

MR: Ik denk dat het een aardig goede observatie is!

AK: In 2011 heeft Metropolis de eerste prijs in de categorie Daily Life van World Press Photo gewonnen. Welke plaats neemt de serie in ten opzichte van uw eerdere fotoprojecten, die onder andere gaan over het verlaten landschap van de Koude Oorlog en het leven van soldaten in Kaboel, Afghanistan?

MR: Voor mij is Metropolis een nieuwe stap en een nieuwe richting. Jarenlang heb ik de gevolgen van oorlogen en conflicten als onderwerp gehad. Na mijn laatste project ben ik op zoek gegaan naar een nieuwe thematiek. Ik heb veel gereisd en was al jaren geïntrigeerd door steden. Toen ik in 2008 een onderzoeksrapport las van UNFPA, het United Nations Populations Fund, waarin stond dat op dat moment meer dan de helft van onze wereldbevolking in steden woonde, wist ik wat ik ging doen. Dit VN-rapport was voor mij de aanleiding om wereldsteden te gaan fotograferen: daar zijn ontwikkelingen gaande waar ik bij wil zijn. Een volgende serie zal ook meer in deze richting zijn dan in die van mijn eerdere werk.

AK: Metropolis spiegelt tot in detail wat ons eigenlijk allemaal bezighoudt en verbeeldt wat de potentiële problemen voor het leven in steden in de toekomst kunnen zijn. Is dit iets wat u had gepland?

MR: De stad is een thema van deze tijd. Natuurlijk zijn er problemen in de stad, maar de stad is ook een oplossing. De stad is economie en biedt de kans om een beter bestaan op te bouwen. De serie is mijn reactie op de groei van de steden.

AK: Hoe gaat u zelf om met chaos?

MR: Ik woon in Delft, waardoor je zou zeggen dat ik weinig met de drukte van wereldsteden heb, maar mijn gevoel is dubbel. Enerzijds vind ik het kleinschalige en overzichtelijke prettig. Anderzijds houd ik enorm van grote steden, en zou ik daar ook best willen wonen. Mijn favoriete steden zijn New York en Mumbai. In beide is het tempo hoog en hangt er energie in de lucht. Mensen willen daar wat, ze willen vooruit, en dat merk je goed.

AK: Tot slot, wat zou u graag aan de bezoeker van de tentoonstelling mee willen geven?

MR: Bekijk de foto’s van een afstand. Ga er daarna dichtbij staan en vind de vele kleine verhalen.

© Huis Marseille en Martin Roemers