Interview: Jeroen Robert Kramer / Une Femme

Une Femme, een vrouw, dat is waar het verhaal van de Nederlandse fotograaf Jeroen Robert Kramer mee begint en eindigt. Maar getoond wordt ze nooit. Kramer schetst het leven van Monsieur Khiar, die net als Kramer woonachtig is in Beiroet, en met wie hij de nasleep van de burgeroorlog meemaakt. De Libanese burgeroorlog, die officieel van 1975 tot 1990 duurde, heeft de samenleving totaal ontwricht. Sinds Kramer in 2009 afstand deed van zijn eerdere werk als documentair fotograaf, kijkt hij met een andere blik naar zijn omgeving, een blik waarin de zoektocht naar schoonheid de plaats van terreur heeft ingenomen. Monsieur Khiar biedt hem hiertoe de mogelijkheid en voorziet objets trouvés uit Beiroet van een persoonlijk narratief. Kramers registraties, verzameld over een periode van jaren, worden in Une Femme voor het eerst samengebracht, in de vorm van een grote solotentoonstelling in Huis Marseille en een gelijknamige publicatie. Jeroen Robert Kramer vertelt assistent-conservator Anna Kruyswijk over zijn leven in Libanon en over wat poëtische vrijheid voor hem betekent.

Jeroen Robert Kramer / Une Femme is te zien in Huis Marseille van 12 maart t/m 5 juni 2016.

AK: Wanneer bent u gaan fotograferen?

JRK: Fotografie is iets waarmee ik ben opgegroeid. Mijn grootvader, moeder en vader maakten allemaal foto’s. Als ik kijk naar de vriendjes en vriendinnetjes die ik heb gefotografeerd, moet ik zo’n zeven jaar oud zijn geweest. Mijn grootvader gaf mij een 6×6 uitklapcamera. Voor mij was het niet anders dan voor kinderen die vandaag de dag foto’s maken met hun smartphone, alleen was ik veel tijd kwijt in de donkere kamer, samen met mijn moeder.

Op een gegeven moment zei mijn vader dat ik maar iets serieus moest gaan studeren. Het werd rechten. Hier ben ik in mijn woonplaats Amsterdam mee begonnen, maar ik heb mijn studie voortgezet en afgerond in Frankrijk. Ook heb ik daar mijn diploma Franse literatuur behaald, wat erg handig was toen ik Une Femme begon te schrijven. Omdat studeren mij gemakkelijk af ging en de kunstacademie naast de universiteit stond, heb ik ook daar lessen gevolgd. Daarna heb ik heel even het familiebedrijf gerund, maar ik vond dingen maken leuker dan een bedrijf leiden. Al na korte tijd ben ik daar vertrokken.

AK: Vertrokken naar de oorlog?

JRK: Ja. Ik heb toen een hele tijd heen en weer gevlogen tussen Amsterdam en het Midden-Oosten. Ik bleef steeds langer weg. Ik woonde vervolgens een jaar in Irak en daarna drie jaar in Syrië. Ik was een keer in Beiroet om mijn verjaardag te vieren met vrienden en merkte toen hoeveel prettiger het daar was. In Syrië kende ik bijzondere mensen, maar de sfeer was daar soms een beetje donker.

AK: Heeft dit iets te maken met ‘een vrouw’, naar de titel van uw project? En de vraag die u herhaaldelijk in het gelijknamige boek aan Monsieur Khiar stelt, of wilt stellen: bent u getrouwd?

JRK: Zo concreet kan je dat niet zeggen. Het hele project zingt en danst om een gebeurtenis heen die we nooit kunnen achterhalen. Er is iets verschrikkelijks gebeurd waar je alleen naar kan raden. Daarom probeer ik kracht te halen uit schoonheid. Een gebeurtenis wordt relevant en indringend door deze juist te vermijden.

AK: Dan houden we het erop dat u het verhaal heeft opgebouwd rond het idee van een vrouw.

JRK: Klopt. Toch komt er geen vrouw in voor; de tekst in het boek gaat niet over een vrouw. Hij gaat over een man, Monsieur Khiar

AK: Uiteraard bent u zelf met verschrikkelijke gebeurtenissen in aanraking gekomen. Waarom heeft u Nederland voor oorlogsgebied verruild? U heeft eens gezegd dat toen u daar in 2001 voor het eerst voet aan de grond zette, u meteen weer rechtsomkeert wilde maken, maar dat een collega-fotograaf u toen overhaalde om te blijven.

JRK: Eenmaal uit het vliegtuig en een aantal taxiritten verder was ik inderdaad aangekomen in een straat waar de oorlog was. Er waren veel scherpschutters en de straat was volkomen leeg. Dat is een van de meest beangstigende dingen, want je weet niet wat iemand beslist, of iemand de ander wil omleggen. Ik stond te twijfelen of ik die straat verder in zou gaan of terug zou lopen, toen er inderdaad iemand naar me toe kwam, een Turkse fotograaf. Hij vertelde me waar hij naartoe ging en nodigde me uit om mee te lopen. Hij heeft mij alles geleerd, daar zijn geen scholen voor. Ik was daar blij mee.

AK: Wat heeft ertoe geleid dat u op een gegeven moment niet blij meer was met het werk dat u daar deed?

JRK: Dat is een geleidelijke ontwikkeling geweest. Als ik erop terugkijk, sta ik kritisch ten opzichte van mijn eigen werk, de manier waarop men fotografeert in oorlogsgebieden. Maar aan de andere kant is het niet zo dat ik veel spijt heb van de jaren dat ik in oorlogsgebieden heb gewoond. Het zijn ervaringen die ik deel met mijn vrouw, die daar vandaan komt, en het is iets waar ik later iets mee ben gaan doen. Hieruit is het boek geboren, en de tentoonstelling ontstaan. Het geeft je recht van spreken, en kennis van zaken waar je dingen mee kan maken. Ik had heel gemakkelijk bitter of boos kunnen worden. Op het moment dat je het gaat transformeren en er iets mee doet, ben je er ook wel dankbaar voor.

AK: Hoe bent u precies iets met uw ervaringen gaan doen?

JRK: Ze liggen als een passe-partout over mijn werk heen. Une Femme gaat echt over hoe mensen met elkaar omgaan, geen tijd voor elkaar maken, elkaar niet kunnen waarderen – niet meer naar iets zachts kunnen gaan, niet meer openstaan voor wat fijn en mooi is. Je zou kunnen zeggen dat de lelijkheid en het spectaculaire van de oorlog heeft plaatsgemaakt voor de stilte.

AK: Toen u had besloten om te stoppen als documentair fotograaf en opnieuw te beginnen als kunstenaar, is er uiteraard een aanloop geweest naar het boek en de tentoonstelling. Kunt u de weg daarheen beschrijven?

JRK: In 2009 ben ik abrupt gestopt en ik heb mijn werk toen een beetje van me afgezet door te exposeren in de Noorderlicht Fotogalerie (met het project Room 103). Daarna ben ik gaan werken aan het boek Beyrouth Objects Trouvés (Editions Noorderlicht, 2012). Dat beschouw ik achteraf als een studie voor Une Femme.

AK: Wat heeft u doen besluiten om in Beiroet te blijven?

JRK: Une femme.

AK: Het project?

JRK: Nee, een vrouw.

AK: Wat toepasselijk. Berust het verhaal in het boek ook voor een deel op uw eigen leven?

JRK: Natuurlijk. ‘Als je op de achterkant van een boek “fictie” leest, weet je dat het waar is,’ zei iemand laatst tegen mij. Zonder leugens zouden we geen films of romans hebben, of een paar hele saaie.

AK: Filosofie heeft overeenkomsten met fotografie: in beide disciplines worden debatten over de waarheid gevoerd.

JRK: Het versterkt elkaar goed, maar het is natuurlijk ook gewoon leuk om de angsten van mensen aan te snijden, dat mensen niet weten wat ‘waar’ is. Dat zet ze op scherp.

AK: Zou u deze visie ook hebben als u nog in Amsterdam gewoond zou hebben?

JRK: Absoluut niet, nee. Sinds mijn negentiende ben ik volkomen ingeburgerd geraakt in de Franse, Syrische en Libanese cultuur. Daar leef ik, daar heb ik mijn vrienden. Doordat ik opga in de cultuur zie ik ook de verschillen, bij mezelf zie ik waar Nederlandse gedachten ophouden en ik overga op Franse of Arabische. In feite is het een culturele spagaat. Libanezen zullen bijvoorbeeld minder snel zeggen dat ze iets niet mooi vinden. Dat maakt hen ook flexibel. Het cliché over Libanon is dat je er ’s ochtends kan skiën en ’s avonds kan zwemmen, maar je kan er ook ’s ochtends thee drinken met een terrorist en ’s avonds een mai tai nemen in een gay bar.

AK: Zou u kunnen zeggen dat u op een bepaalde manier bent beïnvloed door het artistieke milieu in Beiroet?

JRK: Zeker. Door een vriendin, Ninar Esber, bijvoorbeeld. Juist wanneer ik met Ninar praat, die heel andere dingen maakt, kan ik stappen in de goede richting zetten. Ik geloof dat hoe meer je je eigen weg in slaat, hoe meer je de inspiratie beter uit heel andere dingen kan halen. Maar ik hanteer ook graag een soort creatieve hygiëne door niet te veel te kijken naar het werk van anderen.

Je zou kunnen zeggen dat in Une Femme de fotografische beelden onderschikt zijn aan het narratief, de beelden gaan alle kanten op. Er zullen mensen zijn die mijn stijl niet zullen herkennen. Je moet ruggengraat hebben om dit te doen en niet direct herkenbaar willen zijn als maker van alle foto’s binnen een en hetzelfde project.

AK: Kunt u iets meer zeggen over de poëtische invalshoek die u heeft ontwikkeld?

JRK: Je moet fotograferen zoals je schrijft, en schrijven zoals je fotografeert. De teksten zijn pure registraties en zijn in die zin eerder snapshots, terwijl de foto’s op zoek zijn naar de emoties van verloren tijden.

AK: We zien straatbeelden, interieurs, katten, vrouwen en objecten. Wat is de functie van deze verzameling van uiteenlopende beelden?

JRK: Het staat in het verhaal geschreven. Khiar zegt tegen mij: ‘Fotografeer die kat eens’, ik klaag een beetje. Als zichzelf respecterende fotograaf mag men geen katten fotograferen heb ik me laten vertellen. De katten blijven, ze vormen onderdeel van het narratief. Ik word geleefd door Khiar, hij is boos en autoritair. Een deel van het werk is door hem bepaald. Soms loop ik dagen met mijn camera rond (een 4×5 platencamera of middenformaat Mamiya als ik lui ben) zonder een foto te maken. Tussentijds verplaats ik niets in het beeld, vanuit een soort journalistieke reflex, maar ik ben er niet op tegen om dat wel te doen. Na het afdrukken bekijk ik wat de foto’s kunnen doen voor het verhaal.

AK: Sjors Swierstra heeft u tijdens het maken van Une Femme gefilmd. Heeft het vooruitzicht van de documentaire uw werkwijze beïnvloed?

JRK: Sinds hij er was, heb ik nooit meer het gevoel gehad dat het een succes zou moeten worden. De aanwezigheid van hem en zijn team maakte mijn project legitiem. Dit gaf mij het vertrouwen om het project door te zetten en tot in de kleinste details verder te ontwikkelen. De documentaire bevestigde het doel, en dat heb ik als een enorme vrijheid ervaren. Vandaar de katten.

AK: Een laatste vraag, om de bezoeker van Une Femme iets mee te geven over het hoofdpersonage: wie is Monsieur Khiar?

JRK: Niemand zal het ooit weten.

© Huis Marseille en Jeroen Robert Kramer, november 2015