Het Bos in Ons / Maria Barnas over Juul Kraijer

Het atelier van Juul Kraijer (Assen, 1970) bevindt zich in een drukke woonwijk van Rotterdam. Eenmaal binnen lijkt de buitenwereld niet meer te bestaan. Hoge ruimtes, met daarachter een enorme tuin, ademen kalmte. De diepe rust zet zich voort in de tekeningen. Sporen van het moderne leven zijn ver te zoeken. Toch is het werk van Kraijer niet afzijdig van de realiteit. Het is de intense werkelijkheid van een binnenwereld die ze verbeeldt.

Vrouwfiguren, getekend met houtskool, zweven op het witte papier, maar eisen deze leegte ook op. Het is hun ruimte, waar een boomstronk uit een hoofd kan groeien. Waar een gezicht bedekt kan zijn met tientallen ogen en waar borsten vogels kunnen zijn.

Kraijer geeft zelf niet veel prijs over haar werk. Ze wil voorkomen dat haar woorden de manieren om naar haar tekeningen te kijken, beperken. Ze wil, zoals ze schreef in de tekst Hydra (1998), dat haar werk is als een negensprong. Wanneer je daar staat, kun je alle kanten op. Haar werk moet manieren van kijken en denken ontsluiten.

Ik vraag haar of er een plek is die belangrijk is in haar leven, een plek die ik kan bezoeken. Daar heeft ze niet direct een antwoord op.

Ze laat me rustig kijken naar de schetsen die verspreid liggen door het atelier. Op een grote tekening aan de wand, die nog niet voltooid is, zie ik een figuur vol vlinders op het gezicht, vlindervleugels met ogen die het zicht verrijken maar ook belemmeren. Er zijn meerdere houdingen voor de armen uitgeprobeerd. Drie armen versterken de indruk van verzet. Een uitgegumde figuur onder de uitgewerkte figuur is als een aarzelversie, een herinnering van en aan dit lichaam dat met gesloten ogen lijkt te zien.

Wanneer ik aanstalten maak om te vertrekken, herinnert Kraijer zich een plek die veel voor haar betekent. Het is die negensprong, waarover ze schreef. Die bestaat echt, herinnert ze zich nu, in het Asserbos.

Enkele weken later loop ik door het bos en vind een kinderboerderij. Een theeschenkerij. Een ondiepe vijver met dikke eenden. Kleine kinderen die van hun ouders geiten en borstelige varkens moeten aaien. Voor de zekerheid vraag ik een serveerster de weg naar de negensprong.

‘O u bedoelt de driesprong?’

Al gauw loop ik door een dichtbegroeid bos, over een pad dat uitkomt op een achtsprong. Zie ik soms een pad over het hoofd? Of zou er in de loop der tijd een pad zijn verdwenen? Ik blijf tellen, tot ik me bedenk dat de achtsprong voor Juul Kraijer een negensprong is. Zij kent deze plek uit haar jeugd, maar ervaart deze bovenal als metafoor.

Leven en werk, werkelijkheid en interpretatie lopen in elkaar over. Een getekende ruggenwervel die bestaat uit vogelbekjes vormt een lichaam, maar ook de pijn en de onwaarschijnlijkheid van het bestaan. Een vrouw omringd door lome vissen, vormt ook de gedachten van deze vrouw, die aan de vissen denkt. Ze zijn er, die vissen, je kunt ze tellen. Maar ze bestaan vooral in de verbeelding van de vrouw. Zij heeft ze tevoorschijn gedroomd.

Tussen twee paden in trek ik een denkbeeldige, negende route en loop dwars door het bos. Ik kom langs knoestige boomwortels die zo uit de tekeningen van Kraijer lijken te komen. Ik zie dat de verschillende texturen van boomschors als met houtskool zijn geschetst, met de fijnste web-structuren en vertakkingen, ribbelig en rimpelend. Het licht doet als een gum overbodige lijnen vervagen.

Ik besta uit het het bos en dit bos bestaat uit mij.

Maria Barnas

Deze tekst verscheen eerder in Museumtijdschrift #6 sept/okt 2015.