Waarom het museum ‘Huis Marseille’ heet

door Caroline Hanken

Isaac Focquier laat in 1665 een huis bouwen aan de Keizersgracht. Het stuk grond hiervoor ligt in een nieuw deel van Amsterdam waar afwisselend herenhuizen en pakhuizen worden gebouwd. Hij heeft zijn geld verdiend met handel overzee.

Focquier komt te wonen in een voorname buurt, tussen vermogende koopmannen en meester-ambachtslieden veelal verbonden met regentenfamilies die al generaties lang invloed uitoefenen op het bestuur van de stad. Zelf duikt Focquier nogal plotseling op in de geschiedenis van Amsterdam. Zijn geboorteplaats kennen we niet. Mogelijk was hij een van de vele duizenden uit Frankrijk gevluchte hugenoten die hier in de zeventiende eeuw asiel hebben gevonden.

Gedurende enkele jaren is hij lid van het Amsterdams ‘College van Commercie’, waar hij vanwege zijn ervaring als geslaagd koopman zijn mening mag inbrengen over alle mogelijke handelskwesties. Uit de bewaard gebleven notulen blijkt dat hij zich mengt in kwesties over te hoge belastingen en te trage bureaucratische procedures. Hij doet voorstellen voor een efficiëntere organisatie van de scheepvaart en ijvert voor krachtige maatregelen tegen de Barbarijse zeerovers onder wie de handel op de Middellandse Zee ernstig lijdt.

Zijn bijdrage aan die commissie valt in de tijd waarin hij zijn huis aan de Keizersgracht laat bouwen. Hij is dan duidelijk een respectabel man geworden, erin geslaagd door te dringen tot in de hoogste kringen van Amsterdam. Dit is een elite van vermogende, zelfbewuste mannen met donkere pakken en witte kanten kragen, bekend van groepsportretten zoals De Staalmeesters van Rembrandt. Helaas is er van hemzelf geen portret bekend.

In deze jaren, het hoogtepunt van zijn carrière, bedenkt hij hoe hij de gevel van zijn huis zal sieren. Zal hij daar lang bij hebben stilgestaan? Een nieuw huis heeft nog geen geschiedenis. De eerste eigenaar is vrij om te kiezen wat hij wil. Vaak wordt er eenvoudigweg een schild met een familiewapen boven de deur gehangen. Maar uit zo’n familie komt hij niet. Focquier is een selfmade man.

Huizen worden in die tijd ook wel genoemd naar een plant of dier met een symbolische betekenis. Of het krijgt een verwijzing naar het ambacht dat er wordt beoefend. In Amsterdam is vaak de scheepvaart onderwerp, met details als zeilen, touwen en ankers. Focquier, verbonden aan de zeehandel, geeft opdracht voor een gevelsteen met een gezicht op een haven. Maar niet op die van Amsterdam, maar op die van Marseille. Daaronder wordt de naam in stenen letters uitgehouwen en verguld.

Marseille is in die tijd voor Amsterdammers een exotisch oord. De indruk die de stad op een Hollander maakt, is door de Nederlandse dichter P.C. Hooft beschreven in zijn Reis-Heuchenis van 1599.

Hooft observeert hoe beschut de stad Marseille tegen de heuvels aan ligt. Van de hellingen oogst men druiven, waar heerlijke wijn van wordt gemaakt. Er groeien ook ‘orangiers, citroniers, granades, olijven en vijgen. ’t Lant abundeert in schone vruchten’. En hij schrijft over de haven, die ‘is gelegen aan de Middelantsche see, die in de stadt compt ende maeckt den schoonsten haven die ’t mogelijck is te sien’.

Ook Focquier zal deze ‘clene stadt’ hebben gekend. Hij zal er handel hebben gedreven en wellicht is er nog wel meer waar hij met plezier aan terugdenkt. De herinnering aan de weelderige vegetatie en het heldere, blauwe water van de Middellandse Zee moet in het noordelijke Amsterdam even onwerkelijk hebben geleken als een droom.

Tien jaar lang zal Isaac Focquier zijn huis aan de Keizersgracht bewonen. Daarna verandert zijn leven in een nachtmerrie. Oorlogen tegen Frankrijk en Engeland bemoeilijken de handel. Misschien heeft hij ook wel gewoon pech of is hij te overmoedig geweest. In elk geval moet hij zich in 1676 op het stadhuis wenden tot de Desolate Boedelkamer die is gezeteld achter een deur waarboven een bas-reliëf hangt van de val van Icarus. Focquier wordt daar failliet verklaard en Huis Marseille moet worden verkocht.

Als de hele zaak is afgewikkeld, verdwijnt Isaac Focquier, voor zover we nu weten, weer uit de archieven. Hij gaat op in het leger der onaanzienlijken over wie verder niets meer bekend is. Maar vanwege zijn huis, dat daarna door volgende, gelukkiger bewoners steeds weer is verfraaid en aan de nieuwe tijd is aangepast, bestaat inmiddels sinds eeuwen deze gevel. Een in steen gehouwen herinnering van een zeventiende-eeuwse koopman aan het toen zo verre Marseille.

Bronnen
Thijs Boers – Daer Marseille in den gevel staat. In: Huis Marseille I, p. 138-157. Amsterdam 1999.

H. Brugmans, De notulen en munimenten van het College van Commercie te Amsterdam, 1663-1665, Medegedeeld door Dr. H. Brugmans. In: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Deel 18. Martinus Nijhoff, ’s Gravenhage 1897. http://www.dbnl.org/tekst/_bij005189701_01/_bij005189701_01_0006.php

Roelof van Gelder, Renée Kistenmaker, Amsterdam 1275-1795. De ontwikkelingen van een handelsmetropool. Amsterdam 1983.

Pieter Corneliszoon Hooft, P.C. Hoofts Brieven II 1630-1634. Leiden 1856, p. 422.