Van A staat voor Afsluitdijk tot Z staat voor Zeewering:
Wat zijn eigenlijk kwelders, slikken, wielen, stroomgaten, overlaten, uiterwaarden, winter- en zomerbedden? Het zijn de specialistische waterstaatstermen voor zaken die het Nederlands landschap kenmerken, maar: hoe zien ze er eigenlijk uit? Vanuit de lucht wordt alles helder, tenminste als je kijkt met de ogen van Siebe Swart. Naar aanleiding van de succesvolle tentoonstelling ‘Land van lucht en water’ heeft Siebe Swart speciaal voor Huis Marseille een unieke abécédaire samengesteld waarin allerlei watertermen worden verklaard aan de hand van zijn luchtfoto’s. Het Polderlands aanschouwelijk gemaakt! Van de A staat voor Afsluitdijk tot de Z staat voor Zeewering, al deze termen komen tot leven in Swarts luchtbeelden van Nederland.
A = Afsluitdijk
De ‘dijk der dijken’ – volgens Maarten Asscher in H2olland – die de provincie Noord-Holland vanaf Den Oever verbindt met de provincie Friesland en die de dichteres Vasalis inspireerde tot een gedicht, met daarin de regels: ‘Er is geen einde en geen begin / aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden / alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.’ De Afsluitdijk werd op initiatief van ingenieur Cornelis Lely aangelegd als onderdeel van de Zuiderzeewerken en werd op 25 september 1933 opengesteld voor het verkeer. Inmiddels is de dijk eigenlijk verouderd. Op de foto het begin van de Afsluitdijk, gezien vanuit Friesland.
B = Balgstuw
De stormvloedkering Kampen, tussen Ketelmeer en Zwarte Water in de Noordoostpolder, is een balgstuw: een balg van kunststof die met lucht of water kan worden opgeblazen en dan de watergang waarin hij ligt afsluit. Als de balg niet opgeblazen is, ligt hij op de bodem.
B = Bandijk
Een bandijk is een dijk ‘die het winterbed van een rivier begrenst’. Op de foto de bandijk in Gelderland, gemeente Brummen, die op termijn verlaagd zal worden om de rivier de IJssel een groter winterbed te geven. Een ‘winterbed’ is een stroomdal van een rivier bij de hoogste waterstand in de winter.
C = Coupure
Een ‘knipje’ in de dijk. Een coupure is ‘een verlaagde doorgang in een waterkering, meestal voor het wegverkeer’. Deze coupure werd gemaakt in de Kwelderdijk in het uiterste Noordoosten van Groningen. Bij dreigend hoogwater kon de coupure met vloedplanken gedicht worden. Deze planken worden bewaard in het huisje op de dijk.
C = Caisson
Grote, afzinkbare drijvende bakken van beton werden gebruikt voor het dichten van een dijk, hier in Zeeland bij Schouwen en Ouwerkerk. Deze caissons dienden voor het sluiten van het stroomgat dat was ontstaan door de dijkdoorbraak tijdens de watersnood in 1953. Om een idee te geven van de grootte: nu is het watersnoodmuseum in een caisson gevestigd.
D = Deltawerken
Het Deltaplan had de gedeeltelijke afsluiting van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse zeegaten ten doel. De Haringvlietdam op de foto vormt onderdeel van de Deltawerken. De sluizen zijn spuitsluizen die ervoor zorgen dat het zoete water uit het Haringvliet (rechts op de foto), dat wordt aangevoerd door Maas en Rijn, geloosd kan worden. Tegenwoordig gaan de sluizen bij eb en vloed beperkt open om de getijden enigszins te laten terugkomen.
D = Drijvende huizen
Recreatiegebied De Gouden Ham in Gelderland in Maasbommel vormt onderdeel van de Maas. De vakantiehuisjes liggen aan de waterzijde van een dijk – dus ‘buitendijks’ – en gaan drijven bij hoog water. De woningen zitten aan meerpalen vast.
E = Eutrofiëring
Reeds in 1978 werd de Brouwersluis gebouwd in de Brouwersdam in Zeeland, herkenbaar aan de uitstulping in de dijk, met de bedoeling zeewater door te laten om de milieuproblemen die in het nieuwe zoetwater waren ontstaan te verlichten. Helaas heeft die sluis onvoldoende geholpen. Gaandeweg is het zoete water steeds ernstiger met voedingsstoffen belast geraakt.
F = Faliekant
De Hondsbossche zeewering bij Camperduin in Noord Holland steekt met zijn schuine kant – de `faliekant’ steeds meer uit in zee. De dijk is aangelegd als zeewering nadat de oorspronkelijke duinen weggeslagen waren.
G = Gemaal
Een gemaal is `een installatie voor het bemalen van een polder’. Op de foto het gemaal De Lely bij Medemblik in Noord-Holland. Het is een van de twee gemalen die verantwoordelijk zijn voor het droogmalen van de Wieringermeer.
G = Gemet
Een gemet is een `landmaat ter grootte van 300 vierkante roeden of een halve morgen’ . Hier dankt het eiland Tiengemeten zijn naam aan, een eiland in het Haringvliet dat oorspronkelijk gebruikt werd voor akkerbouw, maar is “teruggegeven aan de natuur” door de dijken deels door te steken.
H = Hoogwater
Het water van de Maas kan door smeltwater en regen een bijzonder hoge rivierstand bereiken, zoals hier blijkt op deze foto van de Maas ten zuiden van Venlo. Landerijen zijn ondergelopen en de boerderijen zijn geïsoleerd geraakt, terwijl het water nog niet eens het hoogste peil heeft bereikt.
I = Inlaag
Een inlaag is een strook land tussen de oorspronkelijke dijk en de inlaagdijk, die op een plaats gelegd is waar een dijkdoorbraak heeft plaatsgevonden. Hier is in het Nationaal Park Oosterschelde de strook direct aan zee – de `inlaag’ – met de aangrenzende Prunjepolder gedeeltelijk onder water gezet, zodat nieuwe natuur met brakzoute moerasgebieden ontstaat.
J = Jukstuw
Een jukstuw is `een beweegbare stuw waarbij de kleppen of schutten gesteund worden door scharnierende jukken’. Een juk is dus een onderdeel van een stuw, zoals hier bij het stuw- en sluiscomplex bij Sambeek in Noord-Brabant.
K = Kinderdijk
Poldermolens zijn windmolens die worden gebruikt voor het opmalen van water, zoals hier in het Zuid-Hollandse Kinderijk. Door de bodemdaling in de drooggevallen polders waren er uiteindelijk twee waterreservoirs nodig (boezems) om het gebied te bemalen en zo het water in de polder op peil te houden.
K = Kwelder
Een kwelder is `buitendijks gelegen aangeslibt land dat bij vloed niet meer onderloopt’. Op de foto het buitendijks gelegen getijdengebied `Verdronken Land van Saeftinghe’ dat op de grens van België en Zeeuws-Vlaanderen ligt. Het is het grootste brakwatergebied van Europa en staat onder invloed van het getij. Ook zichtbaar zijn geulen (smal diep water), slikken (onbegroeid aangeslibt land) en schorren (een ander woord voor kwelder).
L = Lateraal kanaal
Op de foto is het hoogwater in de Maas bij Limburg. De sluis van Osen, links op de foto, geeft direct toegang tot de Maas naar Roermond via de dubbelsluis van het lateraal kanaal. Een dergelijk kanaal `dient om een moeilijk bevaarbaar gedeelte van een rivier als vaarweg te vervangen’.
M = Meander
Ooit was er een slingerend verloop van de Maas op deze plek, een meander van de rivier, die wellicht was ontstaan door `uitschuring en aanzanding’. In 1926 overstroomden de Maas en de Waal en het rivierengebied werd overstroomd. Daarna werd de rivierarm afgesneden om aan de rivier een grotere doorstroomsnelheid te geven, maar de sporen van de vroegere meander zijn nog duidelijk in het landschap zichtbaar.
N = Nevengeul
Een nevengeul wordt gegraven in het zomer- of winterbed van een rivier. De geul is minder breed dan de hoofdgeul, waarvan hij gescheiden is. Hier ligt de nieuw gegraven geul in de uiterwaarden in Gelderland, bij de gemeente Olst. Deze geul gaat meestromen bij hoge waterstanden.
O = Overlaat
Overal zijn langs de dijken of kades gebieden nodig die gebruikt kunnen worden als `overlaat’. Daarin wordt hoog water tijdelijk, zijdelings afgevloeid. Op de foto is de overlaat bij Pannerden te zien in Gelderland, bij de Gelderse poort. Deze overlaat bestaat uit een stenen drempel van basaltblokken tussen twee damwanden. Als de overlaat in werking treedt zal het water ook gaan stromen in het gebied naast het kanaal, naar de kijker toe.
P = Polder
Concreet is een polder een `gebied waar de waterstand kunstmatig kan worden beheerst’. Dat beheersen heeft in de praktijk vele consequenties – voor de natuur, of juist voor de economie. Op deze foto is de Hertogin Hedwigepolder te zien met Verdronken Land van Saeftinghe in de voorgrond en de kerncentrale van Doel (Belgie) aan de horizon. In verband met de komende verdieping van de vaargeul van de nabijgelegen Westerschelde (links) moet er volgens de Europese habitatrichtlijn natuurcompensatie komen. Door de polder en de Belgische Prosperpolder, aan de andere kant van de grens (gemarkeerd door de dunne lijn bomen) te ontpolderen wordt er grond terug gegeven aan de natuur. Maar de maatregelen zijn omstreden.
Q = Q-team
Het Q-team bewaakt de kwaliteit van ingrepen in het landschap van Ruimte voor de Rivier-projecten, zoals bijvoorbeeld in de polder Noordwaard in de Biesbosch in Brabant. Door het gedeeltelijke afgraven van de dijken zijn in- en uitstroomopeningen in de Merwededijk gemaakt (boven in beeld) en is een doorstroomgebied ontstaan waardoor de kans op overstromingen (in de bovenloop) kleiner is. Het deel van de polder wat nu nog landbouwgrond is, onder in beeld, zal men in de toekomst ook gaan ontpolderen.
R = Regelwerk
Een regel is een horizontale balk tussen de voor- en achterhar van een sluisdeur. Regelwerk zorgt bij hoog water voor de verdeling van het water, bijvoorbeeld hier tussen de Neder-Rijn en de Ijssel (naar rechts). Dit is een Gelderse uiterwaard met Arnhem aan de horizon, waar in het kader van Ruimte voor de Rivier de dijk landinwaarts is verlegd. Hierdoor is een hoogwatergeul ontstaan waarin het regelwerk staat.
S = Sleephopperzuiger
Op de voorgrond een sleephopperzuiger voor de kust van Zuid-Holland. Deze zand- of slibzuiger werkt met een naar achteren wijzende zuigbuis en is verbonden met de persleiding die naar de kust loopt. Sleephopperzuigers spuiten zand op voor de kust, hier voor de aanleg van een kunstmatig schiereiland, de `Zandmotor’. Wind, golven en stroming zullen het zand langs de kust verspreiden waardoor breder stranden en duinen ontstaan. De zandmotor is een experiment in het kader van kustonderhoud en kustverdediging
T = Trekgat
Een trekgat is `een langgerekte strook water die ontstaan is bij natte vervening’ . Dit zijn de trekgaten in de Loosdrechtse Plassen bij Breukelen met op de legakkers vakantiehuisjes. De legakkers ontstonden door het afgraven van het laagveen en werden gebruikt om het veen te drogen en turf te produceren. Daartussen ontstonden de waterstroken.
U = Uiterwaard
Een uiterwaard is land dat tussen de winterdijk en het zomerbed van een rivier ligt. Hier ligt in de Gelderse IJsselvallei De Wilpse Klei met Veluwsche Bandijk, die als winterdijk voor de IJssel dient. De wielen zijn overblijfselen van eerdere dijkdoorbraken.
V = Verdronken Land
Verdronken land van Zuid-Beveland, onderdeel van de Oosterschelde, is land dat verloren is gegaan door overstroming. Rond de strekdam een rijksmonument: het vroegere haventje van Rattekaai, met vergane steigers.
W = Wiel
De Westfriese dijk, onderdeel van de Westfriese Omringdijk – de vroegere zeewering - , ten noorden van Schagen, gaat met bochten om vroegere wielen, restanten van vroegere dijkdoorbraken. De officiële definitie luidt `overblijfsel van een dijkdoorbraak in de vorm van een al dan niet verland meertje’.
X/Y = IJS
Ook rivieren kunnen bij vorst gedeeltelijk bevriezen. Om te voorkomen dat ijsschotsen en drijfijs bij bruggen opeenstapelen, waardoor het water niet meer goed afgevoerd kan worden, moeten de pijlers van bruggen voldoende grote onderlinge afstand hebben. Zoals hier, in Brabant, bij de dubbele spoorbrug over de Maas, ter hoogte van Hedel.
Z = Zeewering
Een zeewering is simpelweg een waterkering tegen de zee. Hier is de Westkapelsche Zeedijk te zien bij het Zeeuwse Walcheren, met de vuurtoren die de bijnaam het IJzeren Torentje heeft. De overgang tussen de dijk en de duinenrij, boven in beeld, is een van de 'Zwakke Schakels' in de zeewering, onlangs met zand versterkt.
