'33% van de dijken scoort onvoldoende'

Opening expositie Siebe Swart, Huis Marseille, 16 december 2011, door Cordula Rooijendijk.

afsluitdijk, 1932 afsluitdijk, 1932


Op 19 november 1421 teisterde een tweede Sint Elizabethsvloed ons land. Nooit eerder had het water zo hoog gestaan. De kerkklokken werden onophoudelijk
geluid, het lawaai was oorverdovend geweest. Sommige mensen konden nog uit de golven worden gevist, door roeibootjes van stadgenoten. Meer dan tienduizend mensen verdronken. De Zuiderzee was opgezwollen, en daarna het IJ. Ze waren door de dijken bij Amsterdam en Diemen gebroken, bij Spaarnwoude en verder, als een kettingreactie tot aan Haarlem. De zee spoelde over het noorden van Holland, over het zuiden, over Zeeland. Het grootst waren de verwoestingen in de Grote Waard. De Biesbosch was ontstaan. Siebe fotografeerde die Biesbosch.
-En- Het verhaal ging dat er een wiegje in het riet van de Alblasserwaard was blijven steken. Aan de voet van de dijk werd ze gevonden, huilend van de honger, door een bezorgde vader die haar opnam in zijn gezin. Die dijk werd voortaan Kinderdijk genoemd. Siebe Swart fotografeerde de Kinderdijk.

De foto’s van Siebe Swart zijn bijzonder omdat ze ons de geschiedenis van Nederland laten zien. Hoe wij Nederlanders ons land beschermden tegen het water, het land dat jaar na jaar, eeuw na eeuw, werd geteisterd door stormvloeden, met soms elk jaar wel een, watersnoodrampen waarbij die uit 1953 in het niet vallen, zoals de Allerheiligenvloed uit 1170, toen Texel een eiland werd en tienduizenden Friezen verdronken, of de Sint Leonardusvloed uit 1530. Bij die laatste vloed overleden honderdduizend mensen, terwijl de Lage
Landen nog geen miljoen inwoners telde. Twee jaar later was de watersnoodramp nog gruwelijker.
       Siebe fotografeerde de Westfriese Omringdijk, met al z’n wielen en bochten, die laten zien hoe erg het water tijdens een overstroming kan rondkolken, een rond gat kan uitvreten in het land, een wiel zoals dat heet. Een wiel zo diep dat de dijk daar niet meer hersteld kan worden, en om het wiel heen moet worden gebouwd – daarom de bochten in dijken. De Westfriese omringdijk was een van de eerste ringdijken van het land, een ring van dijken om verschillende polders heen, zodat niet elke boer z’n eigen dijken meer onderhield, maar samenwerkte met anderen om een gemeenschappelijke dijk te onderhouden. Daar is later, zo wordt vaak gezegd, het poldermodel uit ontstaan.
       Siebe fotografeerde het land van Saeftinghe, in Zeeland, het land dat door Willem van Saeftinghe werd bedijkt, in de dertiende eeuw, toen hij zich als monnik bij de Cisterciënzers had aangesloten, een zeer strikte monniksorde, die met het werken op het land, en het bedijken van land, het lichaam wilde kastijden om de duivel te verdrijven. Daarom konden die monniken dat zo goed, dat dijken bouwen. Omdat ze elke dag opnieuw urenlang klei en zand op hopen schepten, en bekleedden met gras en stenen, omdat ze nooit opgaven, ook niet als de dijk voor de zeventiende keer brak. Het land van Saeftinghe werd verzwolgen door de zee, door de Waterwolf die alle bebouwing opat, totdat het zo vlak werd als de luchtfoto van Siebe laat zien. Nu regeert de zee er weer.
 
De foto’s vertellen de verhalen van onze waterstaatsgeschiedenis, over wat we allemaal hebben gebouwd en gemaakt om de waterwolf buiten te houden, om ons land droog te houden zodat we er kunnen wonen. Zoals de foto van Noorderleeg, in het uiterste noorden van Friesland, waar land wordt gewonnen op de zee, door houten palen in de bodem te slaan en daartussen rijshout temvlechten, zodat de zee slib achterlaat, nieuw land. Zoals de Hondsbossche zeewering die Siebe fotografeerde, de dijk die tussen twee stukken duin in is geplakt, als een kroon op een oude kiesbodem, op de plek waar sinds lange tijd, al sinds de zeventiende eeuw het gat slechts provisorisch werd gedicht, waardoor heel Petten in zee dreigde te verdwijnen, en uiteindelijk de hele kop van Noord-Holland. Daar werd het gapende gat in de duinen telkens slechts provisorisch gelapt, met stro of een veel te slappe zanddijk, waarna het gat nog groter werd. Daarna kwam de paalworm de zeedijk vernielen, en Engels- Russische troepen in 1799 die er loopgraven in groeven, en vervolgens roofde een dijkgraaf al het dijkgeld uit de kas. Pas in de negentiende eeuw tekende jonkheer Cornelis van Forreest de huidige wering, met een dikke jas van basalt. En Siebe fotografeerde deze.
Siebe fotografeerde de bouwwerken die we maakten om droge voeten te kunnen houden, ook in de toekomst. De zandmotor, 21,5 miljoen kubieke meter zand, tot zeven meter boven zeeniveau, 100 hectare groot, opgespoten door zandhopperzuigers, een soort enorme stofzuigerschepen die zand opzuigen van de zeebodem en dat voor de kust van Kijkduin uitbraken, zand dat door de zee zelf moet worden vervoerd, en elders, langs de Hoek van Holland en Scheveningen, moet worden neergelegd zodat Nederland beter beschermd is tegen het water.

Op de foto’s lijkt alles zo breekbaar. De Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg, een beweegbare kering bij Rotterdam, om het dichtbevolkte gebied in Zuid-Holland te beschermen, die dichtkan als het water te hoog staat. Twee enorme deuren, drijvende pontons, maar vanuit de lucht zo fragiel, alsof ze van wit porselein zijn en niet van staal. De Oosterscheldekering, waar we allemaal zo trots op zijn, de kering die open is maar toch ook dicht, het bouwwerk waar jaarlijks duizenden en duizenden toeristen naar komen kijken, dat na de stormvloed van 1953 werd gebouwd. Ook die lijkt zo broos van boven, als bij een kralenketting zijn de stukjes land door de kering verbonden. De foto van Houtribdijk in Flevoland, een dijk zo dun als de rand van een glas. Alsof je met je schoenpunt maar even tegen aan hoeft tikken en het water golf al over het land. En ook de foto van de Afsluitdijk die Cornelis Lely aan het begin van de twintigste eeuw ontwierp, een dijk dwars door zee. Het lijkt allemaal zo breekbaar vanuit de lucht.
En dat is het ook. Twee weken geleden is het nieuwe rapport over de vijfjaarlijkse keuring van de primaire waterkeringen in Nederland. De primaire waterkeringen zijn de rivier- en zeedijken die beschermen tegen levensbedreigende overstromingen. De dijken scoorden nog beroerder dan vijf jaar geleden, toen 44 procent van de dijken voldoende scoorden, van 37 procent van de dijken niet bekend was, wat de toestand ervan was, en 19 procent van de dijken onvoldoende sterk bleek. Nu, bij de laatste keuring, is de categorie onbekend veel kleiner geworden, maar zes procent, en ook het aantal dijken dat voldoende scoort is gegroeid, naar 61 procent. Maar 33 procent van de dijken scoort nu onvoldoende. Een derde van de primaire waterkeringen dus. En, en dat is misschien nog wel het meest verontrustende, er was geen krant die erover schreef, geen enkele krant kopte dat het ernstig met onze dijken is gesteld. Mensen van het sussende type zeggen dan, dat de veiligheidsnorm hoog is, dat de kans dat een dijk doorbreekt in de Randstad, de overstromingskans zoals dat heet, maar 1 op de 10 000 is, zo ongeveer de kans dat je met vijf dobbelstenen in een keer vijf zessen gooit. Maar stel je eens voor, zo vertelde hoogleraar Han Vrijling me, hoogleraar Waterbouwkundige constructies aan de TU Delft, ‘u stapt in een vliegtuig, en de piloot meldt dat 33 procent van de onderdelen als onvoldoende is beoordeeld, dat hij van 6 procent van de onderdelen niet weet wat de toestand is, maar dat hij van 61 procent ervan kan zeggen dat ze een voldoende scoren. Stapt u dan in?’

Er worden de laatste jaren spectaculaire waterplannen gemaakt. Plannen voor wonen op terpen, plannen voor woningen die kunnen drijven op overstromingswater. En dan het tulpeiland in de Noordzee, een eiland in de vorm van een tulp, de virtuele beelden ervan waren tot op CNN te zien. Er moet ‘ruimte voor de rivier’ komen, zoals dat dan heet, foto’s van Siebe laten het zien, met veel aandacht voor natuur, voor broedvogels, voor luxe huizen langs de waterkant.
Maar, de veiligste en snelste manier om onze dijken snel op orde te krijgen, om die zwakke dijken te versterken, is het simpelweg verhogen en verstevigen van dijken, zoals we dat al eeuwenlang doen, zoals de Hondsbossche Zeewering ooit werd verstevigd. Maar dat is niet in de mode. Daar kunnen politici niet mee scoren, en met een tulpeiland in zee wel.
Vaak hoor je de makers van dergelijke plannen zeggen dat de oude waterbouw het water achter betonnen stormvloedkeringen en metershoge dijken verbergt,
maar dat de nieuwe waterbouw het water de ruimte geeft, en kinderen ermee laat spelen. Hoogleraar Han Vrijling zei het mooi: ‘Dus in de oude dierentuin bergt
men tijgers achter dikke stalen tralies, in de nieuwe dierentuin laat men demkinderen ermee spelen.’

Het zal wel weer wachten worden op de volgende stormvloed. De geschiedenis wijst het uit. Niet voor niets luidt een aloud gezegde van dijkgraven: ‘Geef ons
heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood.’ Pas na de watersnoodramp van 1836 werd de Haarlemmermeer drooggemaakt, toen het water al aan de lippen stond van de steden Amsterdam, Leiden en Haarlem. Pas na de watersnood van 1916 kreeg Cornelis Lely het voor elkaar, al drie keer minister geweest, om de Afsluitdijk te laten ontwerpen en bouwen. Het Deltaplan werd pas uitgevoerd na de stormvloed van 1953, terwijl ingenieur Johan van Veen al jarenlang had gewaarschuwd voor te zwakke dijken in
Zeeland. Hij had al een Deltaplan gemaakt voordat de dijken braken, maar niemand wilde luisteren. Eeuwenlang vonden grote waterstaatkundige werken
pas plaats na een stormvloed.
       Het wachten is op een volgende stormvloed, wachten tot de waterwolf zich weer kwaad maakt, en door de Afsluitdijk heen breekt, en heel het noorden van Holland onder water zet, dus inclusief Amsterdam, of juist in het zuiden van Holland waar de dijken ook onvoldoende scoren, of in het rivierengebied, de Alblasserwaard, de Tielerwaard. En een grootscheepse evacuatie kun je wel vergeten in dit door files verstopte land.

Vier jaar lang vloog Siebe als een vogel over dijken en dammen, over polders en rivieren, over onze geschiedenis en de toekomst, en legde dat ook nog eens op zo’n prachtige manier vast. Heldergroen gras, staalblauwe luchten, kaarsrechte kavels, een knalrood bollenveld, rossig rivierwater, een rivierkribbe met versleten gras, een eenzame boom die nog net met z’n kruin boven het overstromingswater uitsteekt, een paar schapen die je zomaar op een foto ontdekt als je er een tijdje naar staat te kijken. Een zeilbootje, campers langs de waterkant, een rood bestelbusje op een brug, een camping met vier wigwamtenten. Je raakt niet uitgekeken.

Tot voor kort begreep ik nooit goed wat mensen bedoelden als ze zeiden dat een landschap kon ontroeren. Nu, met de foto’s van Siebe Swart, begrijp ik dat wel.

Ik wens u allen heel veel genot bij het bekijken van deze prachtige expositie. Hartelijk dank voor uw aandacht.

< terug